D, t of dt? Met deze tips leer je beter spellen

D, t of dt Met deze tips leer je beter spellen
23 januari 2013

D, t of dt? Met deze tips leer je beter spellen

categorie: tips

Zomaar een zondag. Ik bezoek één van de grootste autoverhuurwebsites ter wereld, op zoek naar een huurauto voor mijn Italië-vakantie. Ik vind uiteindelijk de perfecte auto. Uiteindelijk, want ik heb me voor die tijd al een aantal keren over grote spelfouten in de teksten heen moeten zetten. Jammer. Het gaat om fouten met d-tjes, t-tjes en dt-tjes.

Bij twijfel altijd dt

Ik zit ook wel eens in de trein. En dan het liefst met zo’n gratis krantje. Op een middag vroeg het meisje tegenover me – ze was een jaar of 25 – of het een tik was. Ze doelde op de frons die om de vijf minuten op m’n voorhoofd verscheen. Nee, het waren de d/t-fouten die de rimpels in m’n huid veroorzaakten. Mijn buurvrouw antwoordde: “Ik vind het ook altijd moeilijk om te bepalen wanneer ik nou een d of een t moet schrijven. Ik heb geleerd om bij twijfel gewoon allebei te doen.” Mijn frons bleef nog even staan en het bleef stil. Tja.

Hoe erg zijn spelfouten nou?

Spelfouten zijn niet altijd slecht voor je tekst. Toch zit je met een tekst zonder spelfouten het veiligst. Beter spellen is een kwestie van de regels leren. En de uitzonderingen op die regels. Niet meteen wegklikken nu! Ik zet de belangrijkste regels mét tips voor je op een rijtje. Lees ze in ieder geval een keertje door. En dan nog een keertje…?

De spelregels op een rijtje:
1: ga altijd uit van de stam (meestal de ik-vorm). Die krijg je in de meeste gevallen door ‘en’ van het volledige werkwoord te halen. Voorbeeld: fietsen – (ik) fiets.
2: als je niet met de ik-vorm te maken hebt, maar met een andere persoon in het enkelvoud (hij/zij/jij/u), voeg je een ‘t’ toe aan de stam. Voorbeeld: fietsen – (ik) fiets – hij fietst.
3: als je niet met de ik-vorm te maken hebt, maar met een andere persoon in het meervoud (wij/zij/jullie), voeg je ‘en’ toe aan de stam. Voorbeeld: (ik) fiets – wij fietsen.
4: staat er ‘je’ of ‘jij’ achter het werkwoord dat je moet vervoegen? In dit geval hanteer je de ik-vorm. Je voegt dus niet de ‘t’ toe. (ik) fiets – jij fiets – fiets jij? Let op: als je met een bezittelijk voornaamwoord te maken hebt moet je toch een ‘t’ aan de ik-vorm toevoegen als je het werkwoord in een andere persoon dan de ik-vorm zet, ook al staat er ‘je’ of ‘jij’ achter het werkwoord. Voorbeeld: (ik) bedank – jij bedankt – bedank jij? – jij bedankt je vriend.
5: woorden in het meervoud vervoeg je door de stam aan te vullen met ‘de’ of ‘te’ in het enkelvoud en ‘de’ of ‘ten’ in het meervoud. Voorbeeld: (ik) fiets – jij fietste – wij fietsten; (ik) verbrand – jij verbrandt – wij verbrandden.
6: als het voltooid deelwoord op de t-klank eindigt, moet je zelf bedenken of er een ‘d’ of een ‘t’ aan het einde staat. Baseer je hierbij op de verleden tijd van het werkwoord: staat er een ‘d’ in de verleden tijd? Schrijf dan een ‘d’ aan het einde van het voltooid deelwoord. Als er een ‘t’ in de verleden tijd staat (als je ‘ten’ toevoegt), gebruik je in de voltooide vorm ook een ‘t’. Voorbeeld: (ik) fiets – ik fietste – ik heb gefietst; (ik) verbrand – verbrandde – ik ben verbrand.

Nog wat tips:

Speltip 1: de verleden tijd (zie regel 5) is soms best lastig te vervoegen. Mijn tip is: als het einde van de stam van het werkwoord (het hele werkwoord –en dus) voorkomt in het woord ’t ex-fokschaap, dan gebruik je een ‘t’ na de stam. Is dat niet geval? Gebruik een ‘d’.

Speltip 2: als je niet zeker weet of je een ‘d’ of een ‘t’ aan het einde van het voltooid deelwoord moet gebruiken, maak het voltooid deelwoord dan even langer terwijl je het uitspreekt. Meestal hoor je dan goed of er een ‘d’ of een ‘t’ staat. Voorbeeld: ik heb de brief beantwoord – de beantwoorde brief; ik heb gefietst – gefietste.

Speltip 3: er zijn woorden waarbij het altijd lastig te bepalen is of je een ‘d’ of ‘dt’ gebruikt. Dit zijn woorden als ‘vinden’ en ‘worden’. Gebruik in plaats van zo’n werkwoord het werkwoord ‘smurfen’. Je hoort dan bijvoorbeeld of je een ‘t’ achter het werkwoord moet zetten. Voorbeeld: (ik) word – ik smurf; hij vind(t) – hij smurft.

Speltip 4: leer de uitzonderingen ook uit je hoofd, als die niet vanzelf gaan. Voorbeeld: (ik) loop – jij loopt – wij hebben gelopen.

tags: beter spellen, d of t